Contactpunten demontage montage en afstellen

1. Wanneer de contactpunten sterk ingebrand, ingeslagen of versleten zijn, moet je ze zonder meer vernieuwen. Dit geldt ook als het fiber nokje op de nok van de contactpunten sterk versleten is. Contactpunten met gelijkmatige grijze vlakken en minĂ­eme slijtageverschijnselen (putjes) hoeven niet vervangen te worden; zuiver dergelijke contactpunten op met een nagel-vijltje of contactpuntenschuurstrip.

2. Haal het deksel van de contactpunten ios, dat met twee schroeven vastzit. Draai dan de twee schroeven los, waarmee de grondplaat van de contactpunten in het huis van de stroom-verdeler bij de stoterstanghulzen (t/m 1970) of in het distributie-deksel (na 1970) vastzit. Haal de draad los van zijn aansluiting op de contactpunten. Markeer met de kraspen of met een sta-len spijker de positie van de grondplaat t.o.v. het huis, zodat je de grondplaat later weer in vrijwel dezelfde positie kunt monteren; dit vergemakkelijkt de hierna verplichte afstelling van het ontstekingstijdstip. Licht de grondplaat met de contactpunten uit het huis.

3. Nadat je bij modellen t/m 1970 met stroomverdeler de draad van de condensator en de uitwendige elektrische draad losge-haald hebt, zit het bewegende contactpunt bij zijn bladveertje niet meer vast en kun je het van zijn scharnierpen lichten. Het vaste contactpunt zit nog vast; draai de sterschroef los die het kleine grondplaatje van het vaste contactpunt op de grondplaat vastzet. NB: Let goed op de posities van de diverse ringetjes en isolatieringetjes; als je deze later verkeerd monteert, kunnen de contactpunten kortsluiten en zal de ontsteking niet werken. Maak desnoods een tekening van de plaats van de losgehaalde onderdelen.

4. Bij de modellen na 1970 haal je de draad van de condensator los waarbij je tegelijk de veer van het bewegende contactpunt loshaakt. Licht het bewegende contactpunt van zijn scharnierpen. Draai de schroef los waarmee het vaste contactpunt vastzit en haal dit los. Let op de positie van de diverse ringetjes en isolatieringetjes. Draai de schroef los, waarmee de condensator vastzit en haal deze weg.

5. Maak het huis van de contactpunten en de grondplaat schoon. Installeer de nieuwe contactpunten en nieuwe conden-

Bewegende Pijl

19.2b Haal de draad los van het lipje op de contactpunten (pijl) en haal de grondplaat met de contactpunten weg

19.6a Los de borgschroef (1) en stel de punten met een schroe-vendraaier in de stelgleuf (2)

sator volgens de omgekeerde volgorde van demontage. Con-troleer nauwkeurig of je de diverse ringetjes en isolatieringetjes op de juiste plaatsen gemonteerd hebt, zodat je geen kortslui-ting krijgt. Voordat je het bewegende contactpunt monteert, doe je wat speciaal vet voor contactpunten op de scharnierpen. Doe ook wat van dit vet op het nokasje. Wees zuinig met dit vet, omdat het anders op de contactpunten komt en de ontsteking verslechtert.

6. Controleer de afstand tussen de contactpunten, wanneer de-ze volledig opengedrukt zijn. Deze stand bereik je door de kruk-as te draaien; zie pafograaf 14. Draai de krukas totdat je ziet dat de top van het contactpuntennokasje het fiber nokje van het bewegende contactpunt zo ver mogelijk weggedrukt heeft. Los de borgschroef op het grondplaatje van het vaste contactpunt en verschuif dit plaatje door voorzichtig de excentrische stel-schroef te verdraaien (modellen t/m 1970 met stroomverdeler) of door met een schroevendraaier in de stelgleuf (na 1970) het plaatje opzij te drukken. Verstel de punten totdat de juiste con-tactpuntenafstand bereikt is. Draai de borgschroef weer vast en meet opnieuw de contactpuntenafstand, die door het vastdraai-en soms veranderd kan zijn. In dat geval begin je opnieuw met het afstellen. Je meet de contactpuntenafstand met de voel-maat van de contactpuntenafstand, die voor jouw model bij de technische gegevens aan het begin van dit hoofdstuk vermeld is. De afstand is correct, ais de ontvette voelmaat zuigend tussen de contactpunten kan bewegen. Bij modellen met dubbele contactpunten stel je de punten van de voorste cilinder (gemar-keerd met F op de contactpuntengrondplaat) het eerst af.

7. Draai de krukas door totdat de contactpunten door de top van de tweede nok op het contactpuntennokasje zo ver mogelijk opengedrukt zijn. Meet opnieuw de contactpuntenafstand, die exakt hetzelfde moet zijn ais de waarde van het andere nokje. Anders is het nokasje versleten of krom en moet je het ver-nieuwen.

8. De bougies, contactpunten en condensator moet je vaker controleren, reinigen en vervangen ais je de motor voorname-lijk in stadsverkeer gebruikt. Contactpunten, die niet te zeer in-gebrand zijn, zuiver je op met een nagelvijltje of speciale strip schuurfiber. Met een vergrootglas controleer je de oppervlak-ken van de contactpunten. Deze moeten egaal grijs zijn en mo-gen vrijwel geen putjes hebben. Gebruik voor het opzuiveren geen schuurpapier of schuurlinnen en probeer ook niet alie on-effenheden weg te halen - haal alleen aanslag en vuil weg.

9. Kijk ook of de (nieuwe) contactpunten goed met elkaar lijnen. Tussen de vlakken mag je geen licht zien, ais ze tegen elkaar zitten. De contactvlakken mogen ook niet t.o.v. elkaar verscho-ven zijn. Probeer niet-lijnende contactpunten niet te richten maar vervang ze zonder meer.

19.6b Meet de contactpuntenafstand met voelmaten

10. De contactpunten en condensator zijn met kleine schroefjes gemonteerd. die je niet te vast mag aandraaien. Ais je bang bent dat ze lostrillen, doe je een druppel borgvloeistof (Loctite) op de ontvette schroefdraad van de schroefjes.

11. Bij de modellen met ontstekingsmagneet (1959-1968) wordt de contactpuntenafstand op vrijwel dezelfde wijze afgesteld; zie hoofdstuk 4.

12. Bij de voorgeschreven beurten moet je ook de centrifugaal-vervroeger smeren; zie hoofdstuk 4.

+1 0

Post a comment